Posts tonen met het label verkiezingen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verkiezingen. Alle posts tonen

maandag 11 juni 2018

Participant zoekt opwekkende omgeving



“Wat betekent het om als burger te participeren? Ik ben gefascineerd door de manier waarop mensen de stad maken.” Stadsfilosoof Maurice Specht toont tijdens een gastcollege in Almere op 5 juni zijn visie op de rol van de overheid en de burger.


“Willem Alexander zei in de Troonrede dat we ‘van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving’ gaan. Maar waar gaan we dan naartoe?”, vraagt Specht zich af. In de jaren ’70 de publieke zaak nog gelijk aan de publieke taak: zowel vormgeving en uitvoering als controle en verbetering waren in handen van de overheid. Maar dat werd onbetaalbaar. Daarna kwam de ‘verzelfstandiging’, al snel gevolgd door het ‘naar de markt brengen’ van publieke taken, met alle problemen van dien. Vanaf 2000 ging het steeds meer naar de burger toe.


Motieven
Waarom zou je als overheid inzetten op burgerparticipatie? Volgens Specht werd participatie een beleidsdoel, vanuit verschillende motieven:
  • Sociaal: het brengt mensen samen,
  • Economisch: het is voordeliger,
  • Zingeving: het is belangrijk voor mensen iets tot stand te brengen,
  • Complexiteit: de overheid heeft de kennis van anderen nodig,
  • Legitimatie: de overheid zelf is niet goed genoeg.


Ondanks het idee dat de samenleving geïndividualiseerd, steeds meer met zichzelf bezig is, bleken mensen toch meer te willen doen dan gedacht. Waarom gaan mensen iets doen, en wanneer? “Mensen doen mee uit altruïsme, betrokkenheid bij een bepaalde kwestie of werkveld, of uit plezier.”


Belasting betalen
Participatie kan vele vormen aannemen. Specht noemt ‘belasting betalen’ een vorm van participatie, al ligt het initiatief hiervoor niet bij de burger. ‘Ethisch consumeren’ kun je er ook onder scharen, want “hoe je je geld uitgeeft, doet ertoe”. En geven aan goede doelen. Behalve met geld kun je participeren door te stemmen. Of door te protesteren. En met burgerinitiatieven. Veel van die initiatieven zijn in kaart gebracht op de ‘Maatschappelijke AEX, waarop ook Almeerse voorbeelden te vinden zijn.


“De kunst is om dichtbij datgene te blijven wat mensen kunnen en leuk vinden.” Zelf nam Specht met een aantal anderen het initiatief voor een leeszaal, omdat steeds meer bibliotheken in zijn gemeente (Rotterdam) werden gesloten. Wat moeten mensen kunnen om projecten voor elkaar te krijgen? Ze moeten in elk geval ondernemende kwaliteiten hebben, gedrevenheid en een sociale instelling en/of vaardigheden. De overheid moet dan wel een ‘opwekkende omgeving’ creëren. “Vraag vrijwilligers om de leuke dingen te doen, niet die dingen die moeten gebeuren, maar die niemand wil doen. Daar moet je voor betalen.”


Sexy
Een andere strategie is nudging: de ‘slechte keuze’ bij mensen weghalen door ze iets onweerstaanbaars te bieden, een situatie te creëren waarin mensen graag willen doen wat jij wilt dat ze doen. Specht: “Je moet er wel slim, strategisch over nadenken. De stad laten schoonhouden door burgers werkt niet, tenzij je als overheid zelf ook een stapje extra doet en het sexy genoeg is.”


Meerwaarde
“In de publieke zaak kom je vanzelf de overheid tegen”, meent Specht. “Veel ambtenaren willen graag helpen, maar je hebt ook goede tegenspraak nodig.” Regelgeving noemt hij een “lastig dingetje”. “Initiatieven zijn leuk en worden vaak even gedoogd. Maar als je ze echt mogelijk wilt maken, dan doe je dat met regelgeving.”
Ook de relatie tussen degene die de waarde creëert en degene die het geld krijgt is vaak scheef. “Betaal je ze uit bijzondere potjes of ga je voor structurele geldstromen zorgen? De kans dat projecten hun eigen broek op kunnen houden, is ongeveer nul komma nul.”


Specht juicht burgerinitiatieven toe, maar vraagt zich tegelijk af of de overheid alles wel van zich af moet organiseren. Zo bleek McDonalds als sponsor van Staatsbosbeheer toch niet zo’n goed idee. Verdringing op de arbeidsmarkt door vrijwilligers kan ook een risico zijn, al vindt hij de nieuwe verdeling van werk een veel grotere bedreiging, nu bijna de helft van al ons werk geautomatiseerd kan worden. Het is ook lastig als je geen geld hebt voor bepaalde publieke taken, maar als dat er wel is, wordt het dan wel effectief besteed? De grootste uitdaging blijft echter: hoe vertel je geloofwaardig dat je sámen een stap naar voren gaat zetten?


Bernadet Timmer


Leestips:
  • ‘Gestuurde zelfsturing – Decentralisaties en participatie in het sociaal maatschappelijk domein’ van Daphne Bressers e.a.
  • ‘De spontane stad’ van Gert Urhahn
  • ‘Help mij het zelf te doen’ van Peter Rensen en Radboud Engbersen
  • ‘Ik kwam om wat te doen’ van Joke van der Zwaard en Corrie Kreuk

dinsdag 18 maart 2014

Lezen en schrijven met politici

“Wij, burgers van Almere, vinden dat de regering meer moet investeren in de aanpak van laaggeletterdheid.” Dat is de petitie van de 84-jarige Almeerder Joop Brakkee, die hij met alle verzamelde handtekeningen wil gaan aanbieden tijdens zijn bezoek aan premier Rutte in Den Haag.

Tijdens de opening van het Ondernemersplein op 7 maart in het stadhuis van Almere benaderde hij Mark Rutte voor een gesprek over de thuiszorg, maar werd onwel en moest letterlijk opgevangen worden door de premier. Daarom kreeg hij de toezegging van een afspraak in het Torentje op 28 maart. Afgelopen week, op 12 maart, kon hij ook alvast handtekeningen verzamelen voor zijn petitie over laaggeletterdheid bij het verkiezingsdebat in de Burgerzaal van het stadhuis, georganiseerd door de Stichting Lezen en Schrijven.

Daar draaide het om duidelijke taal: kunnen mensen die moeite hebben met lezen en schrijven de politici wel volgen? Is het wel begrijpelijk voor iedereen? Om daarachter te komen, werden politici, laaggeletterden, ambtenaren en begeleiders van de stichting in zorgvuldig samengestelde groepen aan tafel gezet. Ze mochten reageren op drie stellingen; voor elke stelling was twintig minuten uitgetrokken.

Verplicht op taalles
Gespreksleider Rogier Elshout van het Nederlands Debatinstituut had zichtbaar moeite om de aanwezigen na elke ronde weer stil te krijgen. Aan de tafels ging het al gauw de diepte in; niet over taal, maar over persoonlijke dossiers van mensen die hun kans schoon zagen dit eens grondig te bespreken met de politici aan tafel. De stellingen gaven daar ook aanleiding toe. De eerste, ‘Iedereen die in de bijstand zit met een taalprobleem, moet verplicht op taalles’, raakte nog aan de gezochte rode draad. Want hoe meer problemen je hebt met taal, hoe moeilijker het is om uit de bijstand te komen, bijvoorbeeld als je sollicitatiebrieven moet schrijven. Bij de twee andere stellingen, ‘In Almere moet meer cameratoezicht komen’ en ‘De gemeente moet gesubsidieerde banen creëren voor werklozen’, kwam vooral veel oud zeer naar boven.

Toch was de bijeenkomst een succes. De Stichting Lezen en Schrijven zet zich in voor mensen die moeite hebben met lezen en schrijven. Sietske van Oogen is regiocoördinator van de stichting in Flevoland. Ze wil zoveel mogelijk laaggeletterden bereiken en helpen met taaltrainingen. Speciaal voor deze avond kwamen volwassenen die nu de opleiding doen naar het stadhuis, om de debatten kritisch te volgen en om te vertellen hoe zij het ervaren.

Na schooltijd
In Almere wonen circa 13.000 laaggeletterden. Dat betekent dat ongeveer 1 op de 9 volwassenen laaggeletterd is, waarvan overigens tweederde in Nederland is geboren en getogen, en Nederlandse ouders heeft. Van Oogen: “Als we na onze schooltijd niet meer lezen of schrijven, zullen we het verleren. We willen dat mensen zichzelf kunnen redden in het dagelijks leven.” Ook journaliste Nathalie Kramer van de Almere Vandaag vindt het belangrijk dat inwoners informatie krijgen over wat er in de stad gebeurt. “Inwoners kunnen hier echt laagdrempelig in gesprek met politici. Als journalisten zien we onszelf als tolk en vertaler van belangrijke informatie.” Maar dan moet je dus wel de krant kunnen lezen.

Deelnemer Edwin werkt op de Sociale Werkplaats. Toen hij tiener was, ging naar speciaal onderwijs op een ZMOK-school, maar kon niet meekomen. Nu volgt hij een opleiding via de Stichting Lezen en Schrijven. “Ik kan bijna niets op papier krijgen. Ik kan amper mijn naam schrijven. En nog steeds moet ik er elke dag aan blijven werken. Ik kan er nu gelukkig mee leven. En als je ouder wordt, wordt je ook geraffineerder in het omgaan met die beperkingen. Je krijgt er wel een enorme veerkracht en doorzettingsvermogen van.”

De kapende kapper
De Almeerse Lenie is nu rond de zestig jaar oud. Ze deed de basisschool en de huishoudschool en volgde een kappersopleiding. Ze leerde nooit goed lezen en schrijven, maar besloot in 1994 alsnog de stap te wagen. “Mijn boodschappenbriefje was niet eens foutloos. Op verjaardagskaartjes schreef ik hooguit mijn naam.” Toch leverde het verder nooit problemen op; ze wist altijd wel een manier om het zonder geschreven tekst te doen. Tot ze op een dag in de krant de zin ‘een kapper heeft een vliegtuig gekaapt’ zag staan. Eerst dacht ze nog: wat grappig, maar toen ze het een ander vertelde, bleek het een kaper en geen kapper te zijn.

Bij een bezoek aan de school van een van haar kinderen probeerde ze na te gaan hoe dit kwam, maar daar konden ze haar niet helpen. Toen vroeg ze hulp bij een taalopleiding. “Ik had wel drempelvrees, maar achteraf had ik dit veel eerder moeten doen. Mijn wereld is heel groot geworden. Nu rijd ik zo naar Breda, maar eerder kon ik de borden niet lezen of de TomTom instellen, dus ik kwam de stad zelf nooit uit. Ik durf nu ook meer voor mijn mening uit te komen. Voor die tijd voelde ik me dom.”

Meer weten over taal en begeleiding bij lezen en schrijven? Kijk op www.taalbegintlokaal.nl

Bernadet Timmer

woensdag 15 januari 2014

Heeft de gemeenteraad nog toekomst?

Steeds meer gemeenten hebben moeite nieuwe leden te vinden voor de gemeenteraad. Is het gebrek aan interesse? Een te lage vergoeding? Te politiek? Voorafgaand aan de verkiezingen peilt het Debatcafé van de Nieuwe Bibliotheek de meningen van Almeerse betrokkenen. Heeft volgens hen de gemeenteraad nog toekomst?

Jasper Loots denkt van niet. Hij schreef het boek ‘De gemeenteraad heeft geen toekomst’. Daarin schetst hij drie grote bewegingen: bij de politie, in het grondbeleid en in het sociaal domein. Loots: “Het is ongelooflijk complexe materie, maar raadsleden maken keuzes op hoofdlijnen. Als het heel complex is, gaan professionals er echter mee aan de haal. Ze knippen het op en presenteren details, niet het totaalplaatje. Samen met andere gemeenten de veranderingen oppakken gebeurt ook: maar dan gaat niemand er meer over en kun je niemand ter verantwoording roepen. Bij organisaties als de politie gaat de gemeente maar over een deel van de issues. En ook uitvoerders maken beleid. Dat is het gevolg van die complexiteit.”

Is de raad de baas?
De gemeenteraad heeft dus niet het overzicht dat ze zou moeten hebben. Maar zij neemt toch de beslissingen? Is de gemeenteraad de baas over de stad? Loots ziet een heel groot verschil tussen grote en kleine gemeenten. “In grote gemeenten kun je nog wel op de rem trappen, maar in kleine gemeenten wordt dat echt problematisch.” De raad heeft volgens hem een ‘heel klein beetje invloed’ op de gebeurtenissen in de stad. “Zeker als je kijkt naar de veel grotere invloed van het Rijk, de Kamer van Koophandel en andere partners. Ik vind dat de raad veel meer invloed zou moeten uitoefenen. Raadsleden zitten niet aan de stuurknuppel van de stad; meer aan het stuur van een kermisattractie waarbij de baas van de kermis bepaalt hoe hard het gaat. De democratie functioneert wel, maar de raad gaat daar veel te weinig over.”

Ruud Pet, oud-fractievoorzitter van Groen Links, meent dat de raad formeel wel de baas is, omdat zij de begroting vaststelt. “Maar als er een dichtgetimmerd coalitieakkoord ligt, is het moeilijk je positie nog te pakken.” Hij vindt dat de raad strenger moet optreden en “staan waarvoor ze gekozen is, een beetje meer ballen tonen. Ga zelf de stad in, doe onderzoek, kies positie.” Als voorbeeld noemt hij de Floriade, waarin de raad zich goed heeft kunnen verdiepen. “Waar je wilt, kan het. Maar je moet niet gaan zitten wachten. Pak je kans!”
Loots reageert: “Dat kan wel, maar ik zie de raad bijna nooit als één geheel optreden. Ze slaan zichzelf kapot.” PvdA-raadslid John van der Pauw meent dat dit komt omdat de Almeerse samenleving ook niet dezelfde kant op wil. Bovendien speelt partijpolitiek een belangrijke rol en zijn er veel partijen en ego’s die voor zichzelf opkomen. Van der Pauw verdedigt zich: “Niet elk voorstel van het college komt er ongeschonden door. Daar heb je amendementen voor.”

“De raad heeft alleen budgetrecht en enkele machtigingen”, weet Pruim. “De raad is wel het hoofd van de stad, maar we weten allemaal dat het lichaam vaak wat anders doet dan het hoofd wil. Het lastige van politieke partijen is dat zij het laatste instituut zijn van de verzuiling terwijl de rest ontzuild is. Zij moeten zichzelf opnieuw uitvinden.” CDA-fractieassistente Froukje de Jonge vindt dat je niet te licht moet denken over die bevoegdheden. “Je moet ze eerst nog maar eens zien te krijgen. Als gemeenteraadslid kun je daar wel wat aan doen. Maar duf je wel krachtig stelling te nemen als je niet het hele dossier kent?”

Is dit de laatste kans?
Kandidaat-raadslid en student Jonathan de Jong bekijkt het van de positieve kant: “De raad heeft een positie die verder gaat. Je staat dichter bij de burger. Daar zou je meer gebruik van moeten maken.” Is de transitie sociaal domein de laatste kans voor de raad om zich te laten zien? Volgens Loots is dat onderwerp al bijna een gepasseerd station. “Raden hebben geen langetermijnagenda. Ze positioneren zichzelf niet bewust. Ook in grote gemeenten moet je een visie hebben van het hele domein. Maar het is verkokerd en gespecialiseerd en daarna is de raad aan de beurt. De belangen zijn groot, de haast ook.”
De Jong vindt het geen verspilde kans. “We lopen misschien een beetje achter. We hebben als raad niet veel invloed op het tempo. Maar het is zeker een kans om te laten zien wat we aankunnen.”

“Dit zou een kans worden om kleur en beeld aan de samenleving te geven”, herinnert Pruim zich. Hij voorziet nu het risico op ‘kruideniersbesluitvorming’: besluiten nemen over kleine probleempjes. “De wethouder zei in het Debatcafé (van 8 januari) nog: “Laat er alsjeblieft geen politiek over zijn, want daarvoor is het veel te belangrijk”.” Hij is van mening dat de gemeente de raad daar een jaar geleden al bij had moeten ondersteunen en wijt het ook aan de raad zelf. “We accepteren in dit land niet dat we keuzes maken, waardoor er grote verschillen in de uitkomsten zijn. De marges zijn verschrikkelijk klein.” Pet ziet nog wel ruimte: “Er is al een en ander geregeld door het Rijk, maar ook daarin kun je eigenwijs zijn. Door te kijken: wat willen we nou, wat doet recht aan ons sociaal systeem? Samen met de partners in de stad.”

Is goede raad te duur?
Hoe krijgen we (nieuwe) raadsleden die dit oppakken? Moeten we ze meer gaan betalen? Raadsgriffier Pruim zou daar niet voor kiezen. “Je zou in de raad moeten zitten om invloed uit te oefenen op de kwaliteit van de samenleving.” De Jonge ervaart vooral dat raadswerk heel veel (lees)werk is. “Vaak heb je het gevoel dat je niet voldoende weet. Daarin moet de ondersteuning groot zijn. Ik weet ook niet of de tijd die je krijgt opweegt tegen de hoeveelheid werk die je hebt. Natuurlijk valt er nog heel veel te leren. Je weet niet alles op dag één, maar daar groei je in.” Hij geeft wel aan dat hij bij de politieke keuzes die hij maakt ook afweegt wat dat betekent voor zijn carrière.

Een raadslid van Groen Links in het publiek reageert: “Ik zou het niet goed vinden als we meer kregen, want dan wordt je een soort ambtenaar. Wij zijn volksvertegenwoordigers.” Pruim: “Het is blijkbaar schaamteloos om om ondersteuning te vragen. Maar daarmee doen raadsleden zichzelf te kort: er is veel meer te halen. We proberen wel ondersteuning te bieden, maar hebben dat veel minder gedaan dan zou moeten. Met het toenemen van de hoeveelheid informatie neemt de onwetendheid toe.”
Pet draait de stelling liever om: ‘slechte raad is te duur’. “Je moet aan de voorkant gaan zitten, kaders stellen. Ook in Almere doet de raad zichzelf onrecht aan door te weinig te investeren in ondersteuning. Bovendien heeft het college gekort op het raadsbudget.” Loots: “Je ziet het: als je als raad de baas zou zijn, dan gebeurde dat niet.”. Van der Pauw: “Als raad geven we ook het voorbeeld door te bezuinigen.”

Is de raad nog in contact met de stad?
Het grootste gevaar zit hem volgens Pet in de commissievergaderingen “waar je platgewalst wordt door de informatie van de wethouders.” Dankzij de Politieke Markt is volgens hem die stortvloed een stuk beter gereguleerd. Ook inwoners vinden het interessant om erbij te zijn. “Je krijgt echt een kijkje in de keuken. Het is vrij uniek: Almere is heel transparant.” Pruim is een van de initiators van de Politieke Markt, waarvoor het idee ontstond in 2003. “Het is een hulpmiddel. Er was uitdrukkelijk ruimte voor experiment. Het doel was om raadsleden en burgers dichter bij elkaar te brengen; we hebben als jonge stad nog geen politieke humuslaag. De Politieke Markt is laagdrempelig. Het aanraken, met elkaar in gesprek kunnen komen, helpt daarbij.
De laatste vier jaar is er minder ruimte voor experimenten. Elk onderwerp heeft zijn eigen setting. Dat heeft een stollend effect. De techniek (zoals de webcams) heeft dat mede veroorzaakt. Er zijn duizend mensen actief in de politiek en in een schil daaromheen zijn er circa vijfduizend makkelijk actief te maken. Maar hoe kun je die activeren? Het wordt tijd dat de volgende stap wordt gezet door Almere.”

Loots: “Alles is goed geregeld zoals het gaat. Dus wat is de veranderingsgezindheid bij de raadsleden? De mensen voor wie ze het doen raken een beetje uit beeld. Raadsleden zijn veel te veel op elkaar gericht.” Volgens Pruim moeten we een ‘andere taal’ ontwikkelen. “De raad spreekt zijn eigen taal, met interrupties en elkaar vliegen afvangen. Je zit er niet alleen voor maar ook van de burgers.” De nota’s zijn nu wel begrijpelijker, maar de debatten na de vergaderingen in de carroussel ziet hij als een ‘ontwerpfout’. “De Politieke Markt is gericht op tijd besteden aan en verdieping van een bepaald onderwerp. Maar debat in Nederland is praten tegen je eigen achterban en wij wilden een dialoog.”
Pet reageert: “Wij zijn ook maar mensen…  Ga eens luisteren in de stad. Niet vanuit je politieke kleur, maar vanuit je verantwoordelijkheid als gemeenteraad. Gebruik daar die vierde week per maand voor als er geen Politieke Markt is.”

Er liggen dus nog kansen waar het gaat om de toekomst van de raad. Een bezoeker van het debatcafé geeft desgevraagd echter aan dat hij niet gaat stemmen: “Ik denk dat de politiek te kort schiet in het bieden van perspectief. Ik mis de grote verhalen.” Loots besluit: “‘We gaan de burger meer betrekken’ hoor je elke vier jaar. Je moet echt de ruimte nemen. Je zelfbewust opstellen als bestuursorgaan, vertegenwoordiger van het volk. Je moet lef hebben, anders agenderen en bespreken en er ook anderen bij betrekken. Want er zijn heel veel behoudende krachten die helemaal niks willen.”

Bernadet Timmer