vrijdag 22 februari 2013

Het einde van de reputatie

Communicatie is niet meer weg te denken in onze samenleving en organisatie. Hoe staat het ermee en waar gaat het naar toe? Beroepsvereniging Logeion wijdde er medio februari een middag aan in de gloednieuw raadzaal in het stadhuis van Ede. Daar benoemden emeritus hoogleraar communicatie Betteke van Ruler en communicatiestrateeg Frithjof de Haan drie trends in de communicatie.

Volgens Van Ruler gaat het vak behoorlijk op z’n kop. “Professionele communicatie is geen luxe meer. Managers hebben dat door en vinden het steeds belangrijker. Het vak wordt erkend.” Inmiddels houden 140.000 mensen zich professioneel met communicatie bezig. En er komen steeds meer taken bij; van PR en voorlichting is het uitgegroeid tot meer dan dertig functies in zes beroepsniveaus. De meeste professionals beheersen twee of drie specialismen.

Trend 1: Van offline naar online
De trend is niet dat we er kanalen bij krijgen. Als er nieuwe kanalen bijkomen, veranderen de oude hooguit van karakter. We doen steeds meer online, maar niet alles. Van Ruler: “Er is een mooie mix nodig: anyline.” De grootste verandering heeft te maken met control: de digitalisering van de samenleving. “Marketingcommunicatie en in- en externe communicatie beginnen te versmelten. Dat zie je onder meer aan de inzet van reclamebureaus. Die gaan communities bouwen en belevenissen creëren. De discussie gaat nu over: wat is nog intern? Hoort de flexibele schil daarbij? In een minuut ligt het op straat. Er zit geen muur meer tussen.”

Wat extern wordt gebracht, wordt ook intern steeds belangrijker. “Door de digitalisering kunnen organisaties zich niet meer opstellen als initiator van de berichtgeving. Het is onmiddellijk publiek. De organisatie heeft er steeds minder greep op. De vraag ‘wanneer zullen we dit naar buiten brengen?’ is steeds minder relevant. De boot afhouden werkt echt niet meer.” Volgens De Haan is het zelfs “onze opgave om de corporate silencegebieden bespreekbaar te maken, om ‘hadden we maar…’ te voorkomen.” De digitalisering stelt ons in staat om dat te monitoren bij de ‘100+-stadspomp’. “Met medewerkerstevredenheidsonderzoeken zie je momentopnames, maar je kunt structureler in gesprek gaan met mensen.”

Maatschappelijk humeur
Dat betekent een cultuurverandering. Van Ruler: “We moeten in netwerken denken. Mensen zijn geen geïsoleerde individuen. Het maatschappelijk humeur kan zomaar omslaan.” Wat haar betreft kan het klassieke communicatieplan de kast in, omdat we eigenlijk vooral deden wat we vorig jaar al deden. “Dat staat in de zendmodus; je weet al precies waar je uit wilt komen. We moeten niet achteraf, maar continu evalueren en ook vóór de actie de peilstok er al insteken. Je moet wel weten waar je naartoe wilt.”

“Communicatieprofessionals moeten leren anderen te helpen om goed te communiceren. .” Communicatie is geen goed middel om kennis, houding en gedrag mee te veranderen. Het meeste gedrag is immers routine en houding en kennis zeggen niets over gedrag.
De Haan focust op de driehoek ‘motivatie, gelegenheid en capaciteit’ van Poiesz, die het boek ‘Gedragsmanagement – Waarom mensen zich (niet) gedragen’ schreef. “Als een van de drie factoren laag scoren, kun je gedragsverandering op je buik schrijven. Het Nieuwe Werken is zo’n voorbeeld. Wij zetten enorm in op motivatie, maar er is dus meer nodig.”

De stijl van het huis
Door de digitalisering ontstaat een andere communicatiestijl: ‘de stijl van het huis’, de conversationele stijl. Wij gaan ook zakelijk veel meer praten alsof we aan de keukentafel zitten.
De Haan: “Tegelijk maakt de juridisering dat weer moeilijker. Luisteren is heel belangrijk, maar het is nog belangrijker wat je ermee doet. Communiceer je het ook als je er niets mee doet? Probeer de onderstroom boven tafel te krijgen.”

Trend 2: Afname van het vertrouwen
De Trustbarometer liet het al zien: het vertrouwen in alle instituties is enorm gekelderd. We vertrouwen de politiek, de overheid, het bedrijfsleven, zelfs de media niet meer. Kleine ondernemers vertrouwen we wel, want die blazen niet zo hard van de toren. En we vertrouwen elkaar. We moeten dus een ‘license to operate’ verdienen. Dat betekent een verschuiving van reputatie naar legitimatie. Van Ruler: “Het reputatiedenken leunt sterk op de gedachte dat mensen uit zijn op maximalisering van hun eigen winst. Sociologen kijken vooral naar legitimatie: vinden wij dat een organisatie rechtvaardig handelt?”

Legitimatie gaat niet alleen over jouw stakeholders: het gaat over de gesprekken die in de samenleving worden gevoerd. “Mensen verklaren zichzelf tot jouw stakeholder. Maar nog veel meer mensen praten met elkaar over jouw organisatie, die benaderen jou niet. Je hebt dus andere methoden van onderzoek nodig. Kijk hoe je op een andere manier kunt werken aan je legitimatie en ga van daaruit verder met je reputatie.” Dus niet alleen je merk opbouwen en beschermen, maar weer op zoek naar je drijfveren. Waar zit de ziel van de organisatie? Waartoe doe je dit alles? En dan: keuzes maken. Waar sta je voor, waar ben je van?

Verantwoording afleggen
Ook onze kernboodschap is ‘zo zendergericht als wat’, zegt Van Ruler. Ze ziet meer in flexibele storytelling. “Sluit allianties, stel je bescheiden en empathisch op. We moeten over alles verantwoording afleggen: uitleggen waarom we de keuzes maken die we maken. Wat meet je precies? En met welke organisatie vergelijk je dat dan? Wees ‘accountable’:
  • Maak helder wat jij te bieden hebt: waar ben jij verantwoordelijk voor? Wat is je missie?
  • Vraag je af wat zou kunnen werken. Hoe kun je onderbouwen dat je geld nodig hebt? Doe onderzoek en pas theorieën toe. Weet wat er onderzocht wordt.
  • Weet wat mag. Ben je ‘ethisch’ en ‘professioneel integer’? En ervaart de samenleving dit ook zo?
  • Wat kost het en wat levert het op? Realiseer je dat het een momentopname is. Relativeer de waarde ervan. Maar voer de discussie wel.

Trend 3: De communicatieve organisatie
“Hard roepen hoe goed je bent? Daar kom je niet meer mee weg. De zendermodus werkt niet meer. Hoe harder je roept, hoe bozer anderen worden. We kunnen het niet meer maken eindeloos te zenden, we zullen veel meer moeten luisteren.” Webcare is daar maar één onderdeel van. Redelijk consistente, open en betrokken organisaties krijgen misschien meer vertrouwen. Iedereen is nieuws aan het maken; communicatieadviseurs raden mensen zelfs aan om daar actief in te worden. “Maak daar geen grote reglementen voor, maar wel richtlijnen en kaders over de stijl van het huis. Overigens gaat het ook zonder zelden mis. Laat mensen zelf het woord maar doen, in plaats van woordvoerders die de boot afhouden, is de teneur. De manager moet verantwoordelijk zijn voor de goede manier van communiceren.”

Het communicatiever maken van de organisatie is de opgave van ons allen. Maar hoe doe je dat? Hoe ondersteun je projectleiders en managers, hoe zorg je ervoor dat mensen elkaar aanspreken en hoe koppel je dat aan je doelen? “Als je werkelijk anderen wilt helpen om te communiceren, dan wordt dit extreem belangrijk. De middelen staan in dienst van de afdeling die op een andere manier wil communiceren. Daar moeten we onze opdrachtgevers ook in meenemen.”

Communicatiemanagement
Van Ruler: “Niet het communiceren zelf staat centraal, maar het sturen, faciliteren, afremmen, aanjagen, redigeren en begeleiden van al het gecommuniceer in en om de organisatie, om vertrouwen te winnen en een licence to operate.” Communicatiemanagement dus.

Dat betekent een meer intern gerichte communicatieafdeling, waarbij ontwikkelingen in de samenleving de acties bepalen. Welke frames hanteren wij en welke frames hanteert onze omgeving? “We gaan van heel dienstbaar naar professioneel, vanuit eigen beroepsnormen. Dan ben je dus automatisch kritisch en veel meer een gesprekspartner. Je ontwikkelt je van medewerker naar professional. Hoe kan ik mijn opdrachtgever verder helpen? Bijvoorbeeld door hem uit zijn eigen ongelijk te halen. Ontwikkel professionele normen, haal bijpassende kennis binnen en ontwikkel vaardigheden.”

“De communicatieadviseur kan zich niet meer terugtrekken of isoleren. Je zult de hete vragen aan de orde moeten stellen. Ook de ellende van de branche. Dat is niet alleen een kwestie van techniek of stijl. Het communicatievak gaat veel meer toe naar ondersteuning en identiteitsvraagstukken en management. Ons denken over ‘hoe werkt communicatie’ moet veranderen. In deze tijd gaat het over wat mensen echt vinden, hoe ze zingeving creëren. Daarbij hoort open, betrokken en gepersonaliseerde communicatie.”

Bernadet Timmer

dinsdag 19 februari 2013

Branded journalism – mag dat?

Bedrijven en organisaties proberen via steeds meer en andere kanalen hun doelgroepen te bereiken. In Amerika maken ze steeds meer gebruik van ‘branded journalism’; journalisten die content creëren voor bedrijven. In Nederland is het nog een niche, maar steeds meer journalisten kiezen mede onder druk van de arbeidsmarkt voor deze werkwijze. Mag dat?

Het verschijnsel is opvallend genoeg voor vakvereniging Logeion om er een Van Markenlezing aan te wijden. De naam komt van voormalig fabrieksdirecteur Jacques Van Marken, die het eerste Nederlandse personeelsblad uitbracht: De Fabrieksbode. Ebele Wybenga en Henk Vlaming geven hun visie op branded journalism in een passende omgeving: de Caballerofabriek in Den Haag, waar zich nu creatieve bedrijfjes in hebben gevestigd.

Zoek oprechte aandacht
Ebele Wybenga schrijft columns in Adformatie en artikelen voor NRC en publiceert binnenkort het boek 'The Editorial Age'. Hij ziet de ‘verjournalisering van informatie’ als een trend. “Bedrijven gebruiken steeds vaker journalistieke methoden om te communiceren met hun doelgroep. Dat komt door de aandachtscrisis waar adverteerders steeds meer tegenaan lopen. Het is veel minder makkelijk een breed publiek te bereiken met één medium. Advertentieruimte kun je kopen, oprechte aandacht niet.”

Voor voorbeelden van branded journalism kijkt Wybenga vooral naar Amerika. Een trendsetter is ACNE Paper, net als MrPorter.com. “Die trekt aandacht door zijn content en verkoopt via de webshop. Branded journalism verandert adverteerders in uitgevers. Het gaat niet over de opdrachtgever zelf, maar over verschijnselen daarvan. In The Editorial Age heeft de consument de controle; zij bepaalt niet alleen wat zij wil zien, maar praat ook terug.”

Wordt één met de doelgroep
Henk Vlaming, oud-journalist en directeur van het Nederlands Redactie Instituut, gaat nog een stapje verder. “Het informatietijdperk is onstuitbaar in opkomst: niets blijft verborgen. Dat komt ook door de globalisering, mede door de opkomst van wereldwijde bedrijven. Hoe groter bedrijven en hoe kleiner de staat, hoe meer de burger zich op het bedrijfsleven gaat richten. Burgers gaan zich mobiliseren, roepen om verantwoording, dwingen tot maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het wantrouwen is nooit ver weg.” We zien daarvan steeds meer voorbeelden om ons heen, zoals de oproep van Jelle Brandt Corstius tegen de (voormalige) topman van de onlangs genationaliseerde SNS-bank.

Bedrijven zijn dus ook afhankelijk van journalisten. “Want die kunnen opgaan in de consumenten, één worden met de groep. Ze staan middenin de samenleving, zijn open, kennen de stakeholders en de maatschappelijke agenda. Ze delen kennis en nemen deel aan het maatschappelijke debat.” Kunnen communicatieadviseurs dat niet? “Nee, want zij hebben geen journalistieke antenne. Zij zijn dienstbaar aan hun eigen organisatie.”

Behoud journalistieke principes
In Nederland hebben we weinig voorbeelden, slechts een paar multinationals. Vlaming ziet branded journalism als een ‘begeerde onmogelijkheid’. “De beloften zijn: autoriteit, goodwill en een positieve merkwaarde. Journalistieke principes als actualiteit en onderbouwing zitten wel in de bedrijfsjournalistiek. Maatschappelijke relevantie en urgentie is al moeilijker. En kritisch zijn en onafhankelijkheid lijkt bijna onmogelijk.”

Wat Vlaming betreft kom je in Nederland in de praktijk vooral ‘interviews met de baas’ tegen als het gaat om branded journalism. “De belofte sterft en bedrijfsinformatie overheerst. De valkuil is dat wel de journalistieke methodes, zoals vorm, bladspiegel en reacties, gehanteerd worden, maar niet de journalistieke principes.”
Toch ziet ook hij goede Nederlandse voorbeelden van branded journalism, zoals Hevo, het bouwadviesbureau in Den Bosch dat journalistieke artikelen schrijft in bladen over de zorg. Of NBA, een organisatie van accountants die met een eigen journalistiek platform verslag doet van financieel nieuws onder eigen titel. Zij geeft ruimte aan opinie, blogs en gerelateerd nieuws. Journalisten met uiteenlopende expertises schrijven de (kritische) artikelen.

Promoot een perspectief
Het draait bij branded journalism om de waarheid vertellen, geloofwaardig zijn en het verhaal van het merk vertellen. Wybenga: “Merken willen dolgraag meepraten op social media. Maar ze hebben meestal niets boeiends te zeggen. Wil je aandacht, erkenning en respect van je doelgroep, dan moet je meerwaarde te bieden hebben. Promoot geen product, maar een perspectief. Sluit aan bij de fascinaties van jouw doelgroep. Wordt een gids en laat zien wat de moeite waard is.”
Dat vraagt om journalistiek en redactioneel talent. “We leven nu in de nadagen van ‘The Age of the Amateur’, waarin iedereen zijn eigen zender heeft, maar niemand luistert. Professionals met een journalistieke blik en redactionele kennis kunnen helpen.”

Dat betekent dat je geld kunt verdienen met inhoud. “De waardeperceptie stijgt als je moeite moet doen om er aan te komen. Je kunt bezuinigen op advertentieruimte en in plaats daarvan content creëren.” Persbureaus bundelen nieuwtjes, maar je kunt je ook abonneren op nieuwsstreams met commerciële doeleinden, zoals lifestyle of een specifieke bedrijfstak.

Laat zien wie je bent
Zo kan een nieuw soort bedrijf ontstaan, bijvoorbeeld door de combinatie van een onafhankelijke uitgeverij en een creatief communicatiebureau. Maar wat doen we met journalistieke principes als ‘houd je aan de waarheid’ en ‘wees duidelijk in beeld als afzender’? “The Editorial Age luidt het einde in van de advertorial. Normaalgesproken staat de naam van de maker er niet bij. Nu gebruiken merken juist de naam van de journalist of auteur om hun eigen reputatie te versterken. Ze hoeven niet langer hun merknaam te verstoppen.”
De invalshoek van de branded journalist als onafhankelijk denker is medebepalend. “Het was van oudsher het domein van de creatieve reclamebureaus, maar journalisten hebben vaak een ingewikkeld(er) verhaal te vertellen.”

Branded journalism is geen sluikreclame. (On)opvallende merken in tv-series vallen er dus niet onder. “Soaps hebben branded content. Branded journalism is geen fictieve content, het is minder geregisseerd,” zegt Vlaming. “Branded journalism is merkversterkend, maar dient niet per se de commercie. Als je eigen zendkracht niet meer volstaat, moet je zeker niet groot gaan venten met jouw naam. Je moet wel een lange adem hebben.” Misschien komt het nog het dichtst in de buurt van een programma als ‘De wilde keuken van Wouter Klootwijk’, maar dan met de journalist als onafhankelijke inhuur van het onderzochte bedrijf. Merk en auteur zijn duidelijk, maar het gaat niet in de eerste plaats om reclame voor het bedrijf.

Zorg voor een goed verhaal
Een interessante werkvorm, maar wanneer heb je het nodig? Vlaming: “Het is een middel, naast alle andere middelen. Kun je het ook op een andere manier, gebruik die dan. Want soms is een advertentie prima. Wanneer jouw legitimiteit in het geding is, is het een middel om weer naar je doelgroep toe te komen. Je kunt beginnen bij vakbladen en laten zien wat je kunt toevoegen voor je publiek. Bovendien: als jouw verhaal goed in elkaar zit, wordt het ook makkelijker overgenomen.” Schiphol en ProRail zouden er baat bij kunnen hebben; dat zijn grote, maar kwetsbare merken die afhankelijk zijn van veel partijen. “De spanning zit tussen de argwaan van het publiek en het risico voor het bedrijf.”

Wat is het alternatief? Journalisten inhuren, een journalistiek vermogen ontwikkelen of een journalistiek platform faciliteren? Vlaming vindt het eerste risicovol, omdat journalisten in een organisatie al snel hun onafhankelijkheid verliezen. En zowel bij de eerste als de tweede optie bestaat de kans dat de directie de nieuwe openheid gevaarlijk vindt. In het platform heeft hij het meeste vertrouwen: “Laat mensen onafhankelijke journalistiek bedrijven over jouw organisatie, diensten en producten.” Maar hoe werkt dat dan? “Creëer draagvlak in de organisatie. De directie moet het zien zitten en de organisatie moet het willen. Wees reëel: het is groot, begin klein, online. En zorg dat er geld voor is.” Hij raadt ook aan te zorgen voor een draaiboek, zodat iedereen weet hoe hij om moet gaan met deze wijze van communicatie.

Wat het bedrijven financieel oplevert is nog niet onderzocht. Wybenga: “Ik hoop dat er een klasse van journalisten overblijft, misschien wel betaald door de overheid, die open kan blijven schrijven over alle onderwerpen, ook als het gaat om boodschappen van bedrijven.” Hij vertrouwt daarbij op de zelfcorrigerende werking van succes: geïnteresseerde volgers houden de auteurs in het gareel. “Je kunt je geen commerciële uitstapjes veroorloven. Controleerbaarheid wekt vertrouwen; dat is de ondergrens van branded journalism.”

Meer weten? Kijk op www.theeditorialage.com

Bernadet Timmer
Communicatie

woensdag 16 januari 2013

Nieuwe armen

Sinds Sascha Meyer het boek ‘De nieuwe arme’ schreef, is de aandacht voor armoede in ons land enorm toegenomen. Eind vorig jaar is er zelfs een complete themaweek aan gewijd. Maar wat is armoede in Nederland? En hoe groot is de impact van armoede op je leven? In de nieuwe bibliotheek in Almere was daarover een stevig debat in het maandelijkse ‘Debatcafé’, met (schuld)hulpverleners, (nieuwe) armen en Sascha Meyer.

Mag je wel spreken over armoede in Nederland? Ons land behoort immers tot de meest welvarende landen ter wereld. Een senior in het gezelschap zegt dan ook: “In de jaren ’50 was iedereen arm vergeleken met nu. We hebben het heel erg goed met z’n allen momenteel. Individueel zijn er misschien veel moeilijkheden, maar daar zijn allemaal instanties voor.”

En toch moeten ook nu veel meer mensen rondkomen met veel minder. Mensen die hun huis moeten verkopen, mensen die hun baan verliezen, mensen die net zijn afgestudeerd, mensen in de ww, aow en bijstand. Almere heeft een hoger aantal bijstandsuitkeringsgerechtigden dan gemiddeld in Nederland. Wat is hier aan de hand?

Voor sommigen is het een opeenstapeling van problemen: “Ik woon samen met mijn chronisch zieke grootmoeder en ik ben bang dat wij ons binnenkort moeten aanmelden bij de Voedselbank. Het feit dat het zo ver kan komen, is best wel eng. Zeker nu er zoveel subsidies voor medicijnen geschrapt worden. Het is zo’n grote verandering in je leven.”
Anderen weigeren pertinent aan de bel te trekken bij de hulpverlening, al zitten ze onder de armoedegrens van 1.000 euro per maand: “Wat mij weerhoudt van de Voedselbank is de voorwaarde dat ik een officiële hulpverlener moet hebben. Armoede is vooral de hoek waarin je vrijheden kwijtraakt. Er zijn heel veel mensen die zich het recht verschaffen zich met jouw leven te bemoeien. Ik moet eerst een slachtoffer worden voor ik weer mag gaan bloeien.”
Voedselbank of VoedselloketWaarom moet je hulpverlening accepteren om toegang te krijgen tot de Voedselbank? Jitske Steendam van het Voedselloket Almere: “Almere heeft sinds 2005 een Voedselloket. Wij willen geen Voedselbank zijn. We willen dat mensen zelfstandig zijn, dat het tijdelijk is. Daarom moet je ook hulp accepteren. Want als je bij ons aanklopt, dan is er een probleem. En hulpverleners die bij ons aangesloten zijn, kunnen je helpen dat probleem op te lossen.”

Het voedselpakket van de Voedselbank is een aanvulling, geen volledig pakket. En wat je krijgt is per Voedselbank verschillend. Bij het Voedselloket kun je zelf kiezen. Het is een winkel, waar je binnen een bepaald budget zelf dingen kunt kopen.
Ook Arnold de Rooy, maatschappelijk werker voor praktische en psychosociale hulpverlening, vindt het goed dat mensen proberen zelf hun weg te vinden. “Mensen hebben op een gegeven moment de creativiteit niet meer om anders met de situatie om te gaan. Maar als ze aankloppen bij hulpverleners blijkt dat er heel veel dingen wél mogelijk zijn. Er heerst nog een groot taboe op het vragen van hulp bij armoede.”
Sascha Meyer kwam zelf per 1 april 2012 naar de Voedselbank, nadat haar ex geen alimentatie meer kon betalen omdat hij zelf in de schulden zat en ze moest leven van de WW na haar ontslag. Ze leed een inkomensverlies van 40% en hield niet genoeg over om van te leven na aftrek van de vaste lasten. Een vreemde situatie, want ze woonde in een welgestelde buurt: “Ik vroeg me af; hoe arm moet ik eruitzien? Moet ik nu wel of geen lippenstift opdoen als ik naar de Voedselbank ga?”

Zelf noemt Meyer het een kwestie van “gewoon even wennen”. Voor haar was het een zoektocht naar ‘hoe help ik mijzelf’. “Dit boek heeft mij nieuwe hoop gegeven dat het weer goed komt. Ik ben mezelf gaan herijken. We hebben geleerd onze eigen broek op te houden. Als dat niet meer kan, is dat moeilijk te erkennen. Je kent het verhaal achter al die mooie voordeuren niet. Er zijn zo veel factoren die deze situatie kunnen veroorzaken.”

Sociaal perspectief
Wie heeft het het moeilijkst? De oude of de nieuwe arme? Het vooruitzicht van armoede gaat niemand in de koude kleren zitten, zoals bij deze ‘werkloze herintreder’: “Het grijpt mij aan dat ik tot aan mijn dood in de bijstand zal zitten.” De nieuwe armen zijn het bovendien niet gewend, al hebben ze misschien bij hun ouders wel gezien dat eten niet werd weggegooid en dezelfde spullen jarenlang werden gebruikt. Ze hadden nooit gedacht dat ze in deze situatie zouden belanden. Ze schamen zich. Meyer: “Hun eigenwaarde is heel ver weg. Mensen zitten in een spagaat. Je hoort er niet meer bij. Je hoeft nergens aan mee te doen, maar voordat je tegen je omgeving zegt dat je er geen geld meer voor hebt, dat duurt wel even. Het gaat niet om geld, maar dat je met jezelf kunt leven. Wat een ander daar ook van zegt of vindt.”
Sterker nog: “We zijn gehersenspoeld en houden iedereen op zijn plek door meteen een waardeoordeel uit te spreken. Ook ik denk eerst bij het zien van een grote auto bij de Voedselbank: ‘Goh, waar doet ‘ie het van?’. Je krijgt een soort klassenstrijd: wie is de allerarmste? Ik oordeel nu minder snel. Iedereen oordeelt vanuit zijn eigen perspectief.”

De nieuwe arme moet dus ontzettend kunnen relativeren? Meyer: “Ik denk niet na over de komende drie maanden. Verder dan morgen gaan mijn gedachten niet. Blijf dikke vrienden met jezelf en laat je eigenwaarde niet afhangen van je bankrekening.”
De meningen zijn verdeeld: “Armoede is niet het probleem, het is een gevolg. Het is een maatschappelijk probleem; wij kijken niet meer naar elkaar om. Daar moeten we iets aan doen. We kunnen leren van andere culturen. Kom bij elkaar, kijk wat een ander nodig heeft.” En: “De term ‘nieuwe arme’ staat me tegen. Wat mij betreft bestaan er alleen armen van korte en lange duur. Een van de sleutels tot de oplossing is dat je accepteert dat je niet kunt doen wat een ander doet. Voor armen van korte duur is er het Voedselloket, om mensen te helpen hun leven weer op de rit te krijgen en niet meer in paniek te leven.”

De rol van de overheid
Sommigen beschouwen wettelijke toeslagen als een recht. Dat is geen goedhartigheid. Denk aan studiefinanciering, de hypotheekrenteaftrek, een aanvulling op de woonlasten, subsidie voor sport, et cetera. Moeten we mensen beter informeren over die voorzieningen? Of helpt het meer om afspraken te maken met bijvoorbeeld werkgevers, om meer mensen aan het werk te krijgen en te houden? Steendam: “De politiek moet zich bewust zin van de gidsfunctie die ze heeft.”

At Kasbergen van het PvdA-Ombudsteam in Almere: “De overheid zorgt voor een vangnet, maar dat neemt niet weg dat er altijd mensen zijn die tekort komen. Daar zijn extra maatregelen voor. Maar de overheid moet ook keuzes maken. Dat kan niet voor ieder individu afzonderlijk.” Ook volgens De Rooy  is het een idée fixe om te denken dat je ooit een norm zult vinden waarbij iedereen genoeg heeft. “Er zal altijd een groep blijven die niet rond kan komen.”
Alex Boonstra is werkzaam bij Stichting de Schoor en bestuurslid van het Jeugdcultuurfonds Almere. Dat fonds helpt kinderen bij het deelnemen aan sport en cultuur. “Dat geeft ze eigenwaarde. Nu zijn het 200 kinderen per jaar, maar er komen er ruim 7.000 in aanmerking. Die hebben echter nog geen aanvraag gedaan.”

Is het schadelijk als je niet naar een clubje kan? Boonstra: “Geen van mijn vriendjes ging vroeger op vakantie; ik ook niet. Maar tegenwoordig is dat anders.” Het fonds bepaalt niet waar ouders hun kinderen naar toe sturen. Het geld gaat rechtstreeks naar muziekscholen en sportclubs. Hoe selecteren ze de kinderen die hiervoor in aanmerking komen? “We proberen te voorkomen dat we moeten kiezen. We selecteren nu op basis van inkomen. Een volgende mogelijkheid is leeftijd of datgene wat kinderen en hun ouders zelf (al) kunnen doen.” Iemand suggereert dat clubs zelf plaatsen kunnen scheppen door de lidmaatschappen iets te verhogen voor betalende leden. Kasbergen: “Eigenlijk moet het van de clubs zelf uitgaan: hebben zij plekken vrij, dan kunnen ze die ook gratis ter beschikking stellen. Dat zou niet eens vanuit de overheid moeten komen.”

Hot item
De problemen van toen zijn blijkbaar anders dan die van nu. Het vooroordeel was altijd; ‘het zullen wel bijstandsmoeders of allochtonen zijn’. Maar de mensen die nu bij de Voedselbank aankloppen, behoren vaak tot een heel andere categorie. Iemand reageert: “Armoede los je niet op. Je moet mensen wel proberen tools te geven om eruit te komen. En daar moet je aan blijven werken. Armoede is niet iets van nu, het is iets van alle tijden.” Boonstra: “Wat bij kinderen speelt, speelt bij ouderen ook.” Steendam: “De winst van dit verhaal is dat wij het hebben over de armen. Het is nu een hot item geworden.” De Rooy: “Ik hoop dat mensen toch hun koudwatervrees overwinnen en met ons in contact treden.”
Uit onderzoek blijkt dat dertig procent van de mensen die nu bij de Voedselbank zitten, depressief en/of suïcidaal is. Volgens Meyer gaan er dan ook nog heel veel harde klappen vallen. Is de boodschap wel groot genoeg, of moeten we er veel meer aan doen? “Dat ik als debutant zoveel aandacht krijg is al heel bijzonder. Dit is een begin. Het gaat doorrollen.”

Bernadet Timmer

vrijdag 7 december 2012

Theorie U

'Een probleem is alleen een probleem als er een oplossing is. Anders is het een feit.' De wereld wordt steeds complexer. In ons eentje hebben we het overzicht niet meer. Die ontwikkeling is niet meer te stoppen, maar we kunnen er wel op een andere manier mee omgaan.

Theorie U is een manier om om te gaan met veranderingen. Het maakt de ‘houdbaarheid’ van oplossingen langer. Dat scheelt tijd, energie, geld en een hoop frustratie. Op mijn werk groeit de groep die deze theorie omzet in de praktijk. Omdat je soms via Z moet om van A naar B te komen. Zo raakten manager Vastgoed Henk Hoogland en programmamanager Advies- en Ingenieursbureau Martin Burger doordrongen van de mogelijkheden toen ze er tijdens het Almeers Leiderschaps Traject (ALT) mee in aanraking kwamen. Nu geven ze de basis door, in de hoop dat meer mensen ermee verder kunnen.

Een wondermiddel is het niet. De theorie probeert je mee te nemen naar de toekomst in plaats van je terug te trekken in het verleden. Hoe beter je die toekomst kunt ‘zien’, hoe langer je oplossing houdbaar is. Dat leer je niet zomaar. “95% van ons handelen gaat op de automatische piloot”, zegt Henk. “Problemen behandelen we ook zo. Je kunt zo dus maar 5% veranderen.”
“Het gaat verder dan een stukje gereedschap”, meent Martin. “Het is ‘leiding nemen vanuit de toekomst die zich aanbiedt’. Zet je geest, je hart, je wil open.”

Luister eens evenHet is bijna meditatie: je weer even bewust worden van waar je hier en nu bent, om te zien waar je heen gaat. Jezelf afvragen: wat zijn mijn innerlijke overwegingen om te doen wat ik doe? Wat wil ik daarmee? Luisteren, naar jezelf en naar anderen.
Theorie U neemt je mee de diepte in. Het begint dus met luisteren. Stel je oordeel uit. Observeer dan opnieuw. Voel wat het met je doet. Laat negatieve ideeën gaan. Kijk wat je allemaal hebt verzameld, wat je doet en wat je wilt. Laat nieuwe ideeën komen. Ga ermee aan de slag. Maak een prototype. Kijk hoe het kan werken in de werkelijkheid. En voer het uit.
Het klinkt simpel, maar duidelijk is wel dat het geen oplossing van A naar B is. Het kan aanvoelen als een omweg, maar voor complexe problemen waar veel partijen bij betrokken zijn, is die extra ‘bezinning’ op een gezamenlijk vertrekpunt broodnodig.

Zware rugzakAls voorbeeld noemt Martin de veranderingen die nu gaande zijn bij de dienst die zich bezighoudt met maatschappelijke ontwikkeling, omdat het Rijk een groot deel van de zorgtaken bij de gemeente onderbrengt. “Er zijn veel verschillende personen, nieuwe omstandigheden en heel veel onzekerheden in het spel. Dit is ook het moment waarop je kunt zeggen: ziet ik wel in de juiste functie? Formuleer voorzichtig waar je je voor in wilt zetten, maar stel de beslissing nog even uit. Blijf wel in de wereld staan. Een sabbatical is niet de oplossing.”
Je oordeel uitstellen is dus heel belangrijk. Henk: “Roep niet: ‘been there, done that’. De meeste mensen hebben een rugzak vol ervaringen, die zo zwaar is dat ze niet meer vooruitkomen. Kijk naar het probleem zonder die bagage. Ervaar het alsof het nieuw is.”

Resultaat?Om een beetje houvast te hebben, is het wel goed er een eindtijd aan te koppelen. Want als het proces te lang duurt, raak je de energie kwijt. Randvoorwaarde is wel dat je vooraf vertrouwen moet krijgen van de organisatie. Het is als Anders Werken, alleen weet je bij dit soort complexe vraagstukken van tevoren niet waar je uitkomt. Je kunt dus ook niet van tevoren afspreken hoeveel de uitvoering gaat kosten in geld, tijd of capaciteit.
Henk: “‘Wij’ begint pas als je startpunt gelijk is. We gaan op reis. En we weten niet waar we aankomen. Sterker nog: óf we gaan aankomen. Je hebt het over de weg ernaartoe, niet over het resultaat.”
Martin: “Wat mij betreft zou iedereen de kans moeten krijgen op zo’n manier te leren over zichzelf en met anderen.”

Wil je een (minder abstract) voorbeeld? Kijk dan eens naar het filmpje van de herontwikkeling van een winkelwagentje door IDEO: http://www.youtube.com/watch?v=M66ZU2PCIcM
Of kijk: ‘Golden Circle’ van Simon Sinek, over het waarom, hoe en wat van succes;  http://www.youtube.com/watch?v=4VdO7LuoBzM

Bernadet Timmer