Posts tonen met het label duurzaamheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label duurzaamheid. Alle posts tonen

zaterdag 23 januari 2016

Almeerse Wind

Almeerse Wind

Duurzaam, energieneutraal, afvalloos; Almere is hard bezig haar doelen als ‘Growing Green City’ te halen. Omdat we dat niet alleen kunnen, kijken we ook hoe anderen dit aanpakken en welke rol zij kunnen spelen. Dat doen we onder meer tijdens de ‘Groenstorm’ in het stadhuis, waarbij collega’s en partners meedenken en –praten over duurzame initiatieven.

De Groenstorm van 5 oktober ging over Almeerse Wind: initiatiefnemer John van Diepen is inwoner van de Filmwijk en wil zijn wijk energieneutraal maken. Onder andere door het plaatsen van windmolens. Van Diepen komt uit Kraggenburg (Noordoostpolder), waar ze al veel ervaring hebben met windturbines. Met de coöperatie Almeerse Wind wil hij twee turbines bouwen, die stroom gaan leveren voor 5.000 huishoudens.

Wat heb je nodig als je een windmolen wilt bouwen? Van Diepen: “Een locatie, grond, procedurele medewerking, kennis van windtechnologie en een juridische entiteit.” Voor de locatie heeft hij zijn oog laten vallen op twee bestaande windparken, die al in het programma Energie zijn opgenomen: Rodenburg en Kluutmolenweg. In beide parken staan nu tien windmolens, die in 2020 vervangen zullen worden door grotere turbines. “Als we daar een vergunning voor aanvragen, gaan ook de deuren naar risicodragend kapitaal open.”

2020

Op 17 februari 2015 werd de coöperatie lid van een overkoepelende organisatie van windenergie, zodat ze ook toegang kreeg tot de benodigde kennis. De samenwerking met de gemeente moet nog op papier gezet worden. “Het is een middel om Almere te verduurzamen. Het kost tijd om dit op poten te zetten; het moet in de hoofden van mensen komen. Daarom zijn we nu al begonnen, zodat we er in 2020 klaar voor zijn.”

Dorpsgevoel

Vanwege alle voorbereidingswerkzaamheden merkt Van Diepen dat hij ‘steeds groener gaat denken’. Waarom wind en geen zonne-energie? “Ik kan niet alles doen. Bovendien zijn er al 1.258 zonnepaneelleveranciers, ik wil niet nummer 1.259 worden. Ik heb nu al twee jaar een negatief inkomen, maar ik denk dat het lukt en ik vind het leuk. Het leidt tot heel veel contacten. In Almere zoek ik het dorpsgevoel dat ik ken van Kraggenburg. Dat kan niet met de stad of een stadsdeel, maar wel met de buurt.”

Burgeropwekvereniging

Je krijgt nu nog fiscaal voordeel voor zonnepanelen op eigen dak. Uit onderzoek blijkt echter dat als je alle daken in Almere met zonnepanelen bedekt, je minder dan 10% van de energiebehoefte in Almere kunt dekken. Om de energie voor één huishouden op te wekken, heb je twaalf panelen nodig. Dat komt neer op zo’n zes panelen per persoon. Eén windmolen levert stroom voor 6.000 personen. Waar moet je nu in investeren? “Doe wat je kunt; we hebben niet altijd zon en niet altijd wind, dus we hebben allebei nodig.”

In Nederland heeft een aantal mensen zelf al een stukje grond gehuurd en er een molen op gebouwd. Zij verkopen hun energie door. Deze ‘burgeropwekverenigingen’ hebben nu hun eigen handelshuis opgericht: de Duurzame Energie Unie. Almeerse Wind verkoopt een deel van die wind tot ze haar eigen molens heeft. De hele keten van opwekking tot levering is in eigen hand. Mensen die overstappen, kunnen lid worden van Almeerse Wind. Ze worden dan mede-eigenaar van de twee windmolens. Van Diepen: “We vragen onze leden straks wel of ze ons geld willen lenen tegen een aantrekkelijke rente. Ieder lid krijgt een stem in het bestuur, ongeacht de grootte van zijn mond of zijn portemonnee.”


Bernadet Timmer

woensdag 2 juli 2014

WakaWaka: zon versus kerosine


WakaWaka: zon versus kerosine

WakaWaka is Swahili voor ‘schitterend licht’. Het is de favoriete uitspraak van Fozzie Bear uit The Muppets, de titel van een song van Shakira én de merknaam voor een lamp op zonne-energie. De directeur van de gelijknamige stichting is Cas van Kleef. Hij probeert daarmee de ‘energie-armoede’ te bestrijden; armoede die ontstaat door gebrek aan energie.

“Heel veel mensen rond de Evenaar zijn afhankelijk van kaarsen en kerosinelampen. Die geven slecht licht, waardoor ze ’s avonds nauwelijks productieve uren hebben. Er komen ook vieze dampen vanaf en ze zijn slecht voor het milieu.” Om over brandgevaar door omvallende lampen maar niet te spreken. Bovendien moeten velen ’s avonds naar buiten in het pikkedonker, bijvoorbeeld om hun behoefte te doen. Daarbij lopen ze het gevaar op slangen of schorpioenen te stappen. Meisjes en vrouwen lopen het risico op seksueel geweld. Daarnaast kost kerosine ook nog eens gemiddeld 20% van het inkomen.

Van Kleef zocht naar een manier om ze te helpen over te stappen van kerosine naar duurzame verlichting. “Mensen moeten wel investeren in die verlichting. En ze moeten het gemakkelijk overal kunnen gebruiken.” Mede dankzij de verbeterde techniek voor zonnecellen is de lichtopbrengst groter en de lamp goedkoper te maken. Je kunt er nu ook je mobiele telefoon mee opladen; een veelgebruikt artikel, ook in landen rond de Evenaar. “Als je producten maakt die voor ons goed genoeg zijn, zijn ze ook populair in die landen.”

Crowdfunden
Omdat de lamp snel en voldoende energie voor circa 80 uur LED-licht en een telefoonoplader moet opwekken, is hij efficiënt, maar ook duurder. Voor het eenvoudigste model, zonder telefoonoplader, betaal je 28 euro. Met oplader kost hij rond de 60 euro. Van Kleef: “We wilden echter geen concessies doen aan de kwaliteit.” Voor de start van hun bedrijf, ruim twee jaar geleden, gingen ze crowdfunden op internet; ze vroegen mensen in rijke landen meer te investeren in hun vinding, zodat ze mensen in arme landen minder hoefden te vragen, onder het motto ‘Share the sun, share your energy’. “We hadden 50.000 euro nodig om te kunnen beginnen. Uiteindelijk hebben we een miljoen euro opgehaald.”

Impact
Hun winst investeren ze weer in hun producten; externe aandeelhouders hebben ze niet. Ze maken gebruik van businessmodellen, zodat ze niet afhankelijk hoeven te zijn van donaties, zoals veel andere stichtingen. Van Kleef: “Je kunt goed doen en geld verdienen combineren.”
WakaWaka heeft een micronfinancieringsproject, waarmee ze de lampen verkopen tegen leningen. Vrouwen die met die microkredieten bedrijfjes hebben opgezet, verkopen de lampen door. “Dat heeft veel meer impact, omdat mensen er daardoor meer waarde aan toekennen en er veel zuiniger mee omspringen dan wanneer ze ze gratis zouden krijgen.” Van ondernemers die hen steunen krijgen ze veel (advertentie)ruimte. Zo raken ook anderen enthousiast.


Stroomstoring
Na een succesvolle actie voor Haïti kregen ze een grote bestelling van de International Rescue Committee. Want na medicijnen, drinken en eten blijkt energie en licht het meest gevraagde item door vluchtelingen. Nu gaan de WakaWaka’s onder meer naar Syrië. Opvallend genoeg is er ook grote vraag naar in Amerika, zodat ze ook bij stroomstoringen altijd licht hebben en energie om hun telefoon op te laden.
Zelf heb ik er nog geen een, al schijnen wel mijn tuinlampen op zonne-energie. Wellicht een leuk idee voor een kerstcadeau. Ik heb al eens een geitje gekocht voor een goed doel, maar die heb ik zelf nooit gezien. Bij dat project kwam mijn geld overigens in één grote pot, waaruit ook andere dingen betaald werden. Intussen hoor ik van steeds meer vrienden en collega’s dat zij een WakaWaka hebben; voor op de camping.


Bernadet Timmer

donderdag 12 juni 2014


Zero Plastic Week

Deze week (van 9 tot en met 15 juni) is het ‘Zero Plastic Week’. Sinds de komst van plastic bestek in Amerika in de jaren ’50 is plastic echter niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Kunnen we nog wel zonder?

Het Kenniscafé in de Nieuwe Bibliotheek in Almere wijdde al op 24 oktober 2013 een avond aan de toekomst van plastic. Prof. dr. Katja Loos, hoogleraar toegepaste materiaalkunde bij de Rijksuniversiteit Groningen, is daarbij een van de sprekers. Zij buigt zich over de bouwstoffen van plastics die bepalen of het hard of zacht, glad of ruw, vervormd of juist bestand is tegen hoge temperaturen. Zij synthetiseert de macromoleculen en polymeren tot plastics met andere eigenschappen.

Maïs en aardappels
“Wij gebruiken nog steeds hetzelfde (polystyreen) plastic als in 1950, zoals polyesther en nylon. De belangrijkst ontwikkeling is dat de olie opraakt. Dat is de grondstof van het huidige plastic en bijna alle chemicaliën die we gebruiken. Daarom proberen we nu andere grondstoffen te vinden, zoals suikers en oliën uit alles wat snel groeit, zoals maïs en aardappels.” De wetenschappers kunnen uit aardappels polymelkzuur halen, waarvan je allerlei producten kunt maken die nu nog van plastic zijn, zoals pennen en koffiebekers. In Californië is er nu zelfs een verbod op producten van afbreekbaar plastic voor grootverbruikers als McDonald’s en Starbucks.

Vliegtuigen en braadpannen
Purac in Gorinchem maakt afbreekbare bioplastics, onder meer voor de verpakkingen van voedsel. “Bedrijven zijn op zoek naar nieuwe materialen. Zo wil de luchtvaart- en chipindustrie sterke(re) materialen die dezelfde eigenschappen hebben als metalen.” Metalen zijn duurder dan plastic en minder makkelijk te verwerken. Bovendien zijn kunststoffen lichter en dat scheelt aanzienlijk in de brandstofkosten. Kunststoffen worden nu al gebruikt als coating van vliegtuigvleugels, tegen roestvorming en ter vermindering van de luchtweerstand. Een ander voorbeeld van een plastic coating vind je in de keuken: om te voorkomen dat voedsel zich aan de pan hecht bij het bakken, hebben veel braadpannen een teflonlaagje.

“In het laboratorium testen we de effecten van nieuwe vormen polymeren. Multinationals investeren in onderzoek naar nieuwe stoffen en toepassingen. We zijn altijd op zoek naar nieuwe polymeren. We proberen het wel zo milieuvriendelijk mogelijk te maken. Meestal gaat het bij nieuwe uitvindingen slechts om een gram die we synthetiseren. Daarmee kunnen we alles testen wat we willen.”

Plastic soep en weekmakers
Je hebt weekmakers nodig om plastics te verwerken, maar ook die hebben een slechte naam. Ze zijn al verboden voor gebruik in babyspeelgoed. “Voor melkzuurpolymeren heb je in feite geen weekmakers nodig. Ook daar zouden we meer onderzoek naar moeten doen. Maar mensen willen het liefst zo min mogelijk betalen voor hun plastic. En je kunt niet alles van polymelkzuur maken.”

Bij het zoeken naar nieuwe ‘plastics’ gaan de onderzoekers vaak uit van bestaande materialen die ze dan combineren met andere materialen. “Een compleet nieuw materiaal uitvinden is duur en neemt (te) veel tijd in beslag. In de toekomst zou je wellicht meer met computers kunnen doen.” Als een bedrijf overstapt op andere grondstoffen dan olie moeten ze de hele bedrijfsopstelling veranderen en alle machines aanpassen. Dat is voor bedrijven op dit moment nog te duur. “Zolang ze nog nieuwe oliebronnen vinden, zullen bedrijven niet zomaar overstappen op bioplastics.”

Waar zouden we zijn als we geen kunststoffen zouden hebben? “Niet hier. Onze kleding, de verpakking van ons voedsel, onze medicijnen, implantaten, vrijwel alles heeft te maken met plastics. Iedereen gebruikt dagelijks plastics. Kunststoffen hebben desondanks een slecht imago – en terecht. Denk aan de ‘plastic soep’ in de oceanen. We zouden nog meer onderzoek moeten doen naar recycling. Maar uiteindelijk gooien we zelf het plastic in de natuur. Met het ingezamelde plastic zouden we meer kunnen doen.”

Bernadet Timmer

NB: ook dit artikel is gerecycled.

vrijdag 16 mei 2014

Feeding the city


In de animatiefilm ‘Cloudy with a chance of meatballs’ maakt iemand een machine die het eten laat regenen. Dat lijkt een succes, maar als de inwoners steeds meer voedsel gaan vragen, gaat het mis; spaghettitornado’s en gigantische gehaktballen bedreigen de wereld. In de film komt het uiteindelijk goed, maar hoe brengen wij mensen weer veilig in contact met voedsel in hun eigen omgeving?
Het antwoord daarop wordt deels gezocht in stadslandbouw. In Almere, maar ook in Toronto, Lima, Milaan en andere grote steden. In ‘Stadslandbouwcafé´s’ delen steden hun ervaringen. Op 16 mei komen ze samen in Utrecht en op 16 april was Almere gastheer van zo’n café, in Schouwburg Almere. Toen ging het over ‘Feeding the city’, onder leiding van tafelheer Johan Bouwmeester en onder toeziend oog van een betrokken publiek. Het thema Growing Green Cities, bedacht in het kader van de Floriade Almere 2022, staat centraal in de ontwikkeling van Almere. Dat verwijst naar een beweging die het leven van stadsbewoners in alle opzichten duurzamer, gezonder en aantrekkelijker moet maken.

De ideale stad van Henk Meijer, project Floriade Almere 2022 (en Growing Green Cities) is een meerkernige stad, met een ‘groene en blauwe structuur’, een tuinstad zoals die ooit is bedacht door Ebenezer Howard. “Misschien verdubbelt de stad de komende dertig jaar. Dat moeten we doen op een zo duurzaam mogelijke manier. En dat kan.”
Dat staat ook in de concept Cultuurvisie Almere 2.0, al wil hij dat geen blauwdruk noemen: “Het laat zien wat er mogelijk is. Mensen én natuur dienen is onze opdracht. Het is voor het eerst in Nederland dat de stadslandbouw bepaalt hoe we ons landschap vormgeven. Dat zien we terug in de manier hoe we met water omgaan en heeft ook zijn weerslag op de economie. We wisselen ideeën uit met onze internationale partners om deze ideeën te verbeteren. Daarbij leren we ook van onze fouten.”
Ieder op zijn eigen niveau
Iedereen kan daar op zijn eigen niveau aan bijdragen: “Op macroniveau produceren we voedsel voor de wereldmarkt. Op mesoniveau ontwikkelen we steden. Mensen kunnen hier hun droom waarmaken op elk niveau tussen de eigen buurt en de wereld. Ze kunnen samen bouwen aan educatie, transport, ondernemingen en de openbare ruimte. Op microniveau helpen we de kleinste initiatieven groeien. Die ondersteunen we, zodat mensen hun eigen kracht ten volle kunnen benutten.” Wat hem betreft zal de Floriade daarbij helpen. Want dat gaat om ‘state of the art’ duurzaamheid, zowel sociaal en fysiek als economisch en ecologisch.


Lauren Baker is coördinator van de Toronto Food Policy Council in Canada. Ook zij ziet de ontwikkeling van inwoner naar ondernemer en van lokaal naar regionaal. “Het is niet meer dan logisch dat we verbinding zoeken met andere steden als het gaat om het vinden van nieuwe oplossingen.” Hoe organiseren zij stadslandbouw in een stad met ruim 2,6 miljoen inwoners? “We zijn ermee bezig sinds de ‘gezonde stad-beweging’ in de jaren ’80. Er is zelfs een VN-verdrag over gezondheidsbevordering getekend. Dat gaat ook over het werk dat mensen doen, de plek waar ze leven en het voedsel dat ze eten. De vraag was waarom in een grote, rijke stad als Toronto arme mensen leven die geen gezond voedsel hebben. Boeren, ondernemers, professoren, jongeren en gezondheidsdeskundigen proberen samen de stad hierover te adviseren.”
Het draait dus ook om (burger)participatie. Inwoners werken samen met de gemeente, stellen een actieplan op en voeren het uit. Zo kunnen ze zelf hun producten verkopen op lokale markten. Dit heeft ook effect op de voedselinfrastructuur; hiermee maken ze de stad een knooppunt voor de distributie van landbouwproducten. “Het is zeer succesvol, omdat het leuk is. Mensen voelen zich verbonden met het thema; het is praktisch, opwindend en stimulerend.”

Sociaal contact
In Lima draait ‘Growing Green Cities’ vooral om voedselveiligheid. De stad is erg vervuild, net als Mexico Stad en Santiago. Droogte en smog zijn een groot probleem. “Maar het is niet alleen maar ellende”, benadrukt Henk Renting, programmamanager RUAF Foundation Hij heeft regelmatig contact met de initiatiefnemers van stadslandbouw in die regio. “Voedsel verbouwen geeft het leven betekenis; mensen proberen daar hun verhouding met voedsel en omgeving opnieuw vorm te geven, omdat ze ooit van het platteland naar de stad kwamen en anders zijn gaan leven. Het belangrijkste doel is het zorgen voor voedsel voor iedereen in de stad; dat is ook een sociaal proces.”
Als voorbeeld noemt hij de school- en stadstuintjes, deels op voorheen verwaarloosde openbare plekken. Die geven mensen voedsel, een doel, een plek van samenkomst en geld door de verkoop van een deel van de oogst. Volgens Renting  kan overheidsbeleid daarbij helpen: “Je hebt altijd een verband nodig tussen de initiatieven en de overheid. In Almere beginnen we van onderop, maar we hebben ook een reactie nodig van bovenaf, zoals het faciliteren van opleidingen.”

Familie versus economie
“In Milaan is voedsel geen probleem, want iedereen heeft wel iemand in de familie die zich bezighoudt met landbouw”, zegt Andrea Calori, voorzitter van het International Urban-Rural Network URGENCI Milaan in Italië. “Het probleem is dat we niet op een moderne manier nadenken over duurzaamheid en de rol van voedsel in de stad. Landbouw zit in het DNA van de stad, maar we bekijken het nog steeds met een traditionele blik.”

Hier gaat het niet om de balans tussen platteland en stad, maar om het verbinden van consumenten. “Er zijn heel veel lokale markten en keuterboertjes, maar we hebben geen duidelijk beleid over ons voedsel. In Italië hebben we een sterke traditie van coöperaties, maar voedsel maakt daar geen deel van uit.” Duurzaamheid begint wat Calori betreft bij het dagelijks leven. “We proberen het familieleven te verbinden met onze economie. De rol van de beleidsmakers is dit te faciliteren en verbeteren, niet te reguleren. Zij kunnen het Europese en milieubeleid vertalen in lokaal beleid.”
In Almere houdt onder meer burgerinitiatief Vereniging Buitenstad zich bezig met stadslandbouw. Voorzitter Gerda Lenselink: “We hebben geluk met ons jonge en leergierige netwerk in Almere. In Almere krijgen we veel kansen en zien ze ook de noodzaak. Hier komen burgers, scholen, woningbouw en gemeente met elkaar in gesprek, ontplooien samen initiatieven en leren van elkaar. Zo ontdekken we welke initiatieven we nodig hebben.” Als voorbeeld noemt ze de Warmoezerij: “We werken op zeer kleine schaal, maar we komen er wel. Tot nu toe praten we er vooral over; we moeten het concreter maken. Wat moet je bijvoorbeeld betalen voor een stukje land?”

Businessmodel
Steeds meer plekken in Almere zijn bestemd voor stadslandbouw, maar internationaal verlaten juist steeds meer boeren de stad vanwege de hoge grondprijzen. Kunnen we iets doen aan die prijzen? Duurzaamheid is een noodzaak, vinden alle sprekers. Maar het is ook een businessmodel, zegt Meijer. “Een deel van de openbare ruimte zal altijd groen moeten zijn; of het nu een park, een speelplek of stadslandbouw is. Dat hoeft niet duur te zijn.” Ook Baker vindt dat de planners goed moeten kijken naar de landbouwsector en vraagt aandacht voor de nichemarkten. Daar is, met gebruikmaking van alle informatie die we al hebben, zeker ruimte voor in de stad, ook financieel.

Voorlopig is ons voedsel vooral in handen van handelaren. Zo probeerde stadsboer Tom Saat te volgen waar zijn producten naartoe gingen. Zijn broccoli belandde na de oogst in een distributiecentrum in Frankrijk en dook daarna weer op in een supermarkt in Almere. ‘Boer en filosoof’ Jan Huijgen wil daarom de balans die er ooit was tussen stad en platteland weer herstellen. Hij geeft de deelnemers nog wat vragen mee: “Wat is voedsel? Is het een product of een recht? Wie gaat daarover? En gaan we er op de juiste manier mee om?”
Bernadet Timmer
Meer informatie vind je op www.growthecity.eu 

donderdag 13 maart 2014

Draagtasje verliest draagvlak

In de lokale verkiezingsprogramma’s heb ik het niet zien staan, maar als het aan het Europees Parlement ligt, zijn plastic draagtasjes over een paar jaar verboden of gaan we er allemaal voor betalen. Dit omdat die meestal eindigen als zwerfvuil, in het oppervlaktewater en in de magen van vogels en vissen, die dit maar slecht kunnen verteren. Is dit het begin van het einde van plastic?

De opmars van plastic begon in de jaren vijftig in Amerika, met plastic bestek. Sindsdien is het niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Wij gebruiken nog steeds hetzelfde (polystyreen) plastic als in 1950, zoals polyesther en nylon. Het einde is echter in zicht. Niet dankzij het Europees Parlement, maar: de olie raakt op. Dat is de grondstof van het huidige plastic en bijna alle chemicaliën die we gebruiken.
Prof. dr. Katja Loos, hoogleraar toegepaste materiaalkunde bij de Rijksuniversiteit Groningen, houdt zich bezig met alternatieven voor plastic. Zij buigt zich over de bouwstoffen van plastics die de eigenschappen ervan bepalen: hard of zacht, glad of ruw, of het vervormd of juist bestand is tegen hoge temperaturen. Zij synthetiseert macromoleculen en polymeren tot ‘plastics’ met andere eigenschappen.

Maïs en aardappels
“We proberen nu andere grondstoffen dan olie te vinden, zoals suikers en oliën uit alles wat snel groeit, zoals maïs en aardappels.” De wetenschappers kunnen uit aardappels polymelkzuur halen, waarvan je allerlei producten kunt maken die nu nog van plastic zijn, zoals pennen en koffiebekers. In Californië is er al een verbod op producten van afbreekbaar plastic voor grootverbruikers als McDonald’s en Starbucks. In Nederland maakt onder meer Purac (Gorinchem) afbreekbare bioplastics, bijvoorbeeld voor verpakkingen van voedsel.

Vliegtuigen en braadpannen
“Bedrijven zijn op zoek naar nieuwe materialen”, weet Loos. “Zo wil de luchtvaart- en chipindustrie sterke(re) materialen die dezelfde eigenschappen hebben als metalen. Metaal is duurder dan plastic en minder makkelijk te verwerken. Bovendien zijn kunststoffen lichter en dat scheelt aanzienlijk in de brandstofkosten.” Kunststoffen worden nu al gebruikt als coating van vliegtuigvleugels, tegen roestvorming en ter vermindering van de luchtweerstand. Een ander voorbeeld van een plastic coating vind je in de keuken: om te voorkomen dat voedsel zich aan de pan hecht bij het bakken, hebben veel braadpannen een teflonlaagje.

Loos: “Afhankelijk van het polymeer wordt een oppervlak ruw of juist glad. In het laboratorium testen we de effecten van nieuwe vormen. Multinationals investeren in onderzoek naar nieuwe stoffen en toepassingen. We zijn altijd op zoek naar nieuwe polymeren en proberen het zo milieuvriendelijk mogelijk te maken. Meestal gaat het bij nieuwe uitvindingen slechts om een gram die we synthetiseren. Daarmee kunnen we alles testen wat we willen.”

Weekmakers of melkzuur
Waar zouden we zijn als we geen kunststoffen zouden hebben? “Niet hier”, zegt Loos stellig. “Onze kleding, de verpakking van ons voedsel, onze medicijnen, implantaten, vrijwel alles heeft te maken met plastics. Iedereen gebruikt dagelijks plastics. Kunststoffen hebben desondanks een slecht imago – en terecht. Denk aan de ‘plastic soup’ in de oceanen. We zouden nog meer onderzoek moeten doen naar recycling. Maar uiteindelijk gooien we zelf het plastic in de natuur. Met het ingezamelde plastic zouden we meer kunnen doen.”

Je kunt echter niet alles van polymelkzuur maken. En om plastics te verwerken heb je weekmakers nodig, maar ook die hebben een slechte naam. Ze zijn al verboden voor gebruik in babyspeelgoed. “Voor melkzuurpolymeren heb je in feite geen weekmakers nodig. Ook daar zouden we meer onderzoek naar moeten doen. Maar mensen willen het liefst zo min mogelijk betalen voor hun plastic.”

Bij de zoektocht naar materialen met een bepaalde eigenschap gaan wetenschappers vaak uit van bestaande materialen die ze combineren met andere grondstoffen. Loos: “Een compleet nieuw materiaal uitvinden is duur en neemt (te) veel tijd in beslag. In de toekomst zou je wellicht meer met computers kunnen doen.”
En als er geen olie meer is? “Als een bedrijf overstapt op andere grondstoffen, moeten ze de hele bedrijfsopstelling veranderen en alle machines aanpassen. Dat is voor bedrijven op dit moment nog te duur. Zolang ze nog nieuwe oliebronnen vinden, zullen bedrijven niet zomaar overstappen op bioplastics.”

Bernadet Timmer

Prof. dr. Katja Loos was een van de sprekers tijdens het Kenniscafé in de Nieuwe Bibliotheek in Almere op 24 oktober 2013. Elke maand discussiëren drie deskundigen met elkaar en het publiek over een nieuw onderwerp.

maandag 3 februari 2014

Hoe groot is de jouwe?


Een ecologische voetafdruk is een versimpelde rekenmethode die in kaart brengt hoeveel land er nodig is om te voorzien in de consumptie van mensen. Uit berekeningen blijkt dat er te weinig land beschikbaar om in onze totale consumptiebehoefte te voorzien. Wat nu?

Het grootste deel van het aardoppervlak bestaat uit water. We vissen relatief gezien maar in een zeer beperkt deel van de oceanen. Op het land is ook niet elk oppervlak bruikbaar voor de productie van onze grond- en voedingsstoffen, denk aan steden, woestijnen en bergketens. Uiteindelijk is maar een vijfde van het aardoppervlak daarvoor geschikt, circa 13,6 miljard hectare. Dat betekent – met het huidige aantal aardbewoners – dat er gemiddeld 1,8 hectare per persoon beschikbaar is. Maar we gebruiken een veelvoud daarvan. We hebben dus meer ‘aardes’ nodig om te produceren wat we in één jaar nodig hebben.

Grootverbruikers
In het Kenniscafé van 28 november 2013 in de Nieuwe Bibliotheek in Almere onderschrijft Lot Folgering, communicatieadviseur WNF Nederland, waar Al Gore in zijn ‘Inconvenient Truth’ al voor waarschuwde: “Als de hele wereld zou leven zoals wij in Nederland, dan hebben we 3,5 aardes (6,3 hectare per persoon) nodig in een jaar.” Een Amerikaan heeft 8 hectare nodig. De grootste grootverbruikers blijken echter de Verenigde Arabische Emiraten, met ruim 10 hectare. De kleinste zijn de Palestijnen in bezet gebied, met een halve hectare per persoon.

Consumanderen
Volgens Folgering maakt de voetafdruk inzichtelijk “dat we een aanslag op de aarde aan het plegen zijn. In het westen is de biodiversiteit redelijk stabiel, maar Nederland heeft nog maar 25% van zijn biodiversiteit over sinds we in 1900 zijn gaan meten. De soortenrijkdom is hier met 28% gedaald, in tropische gebieden zelfs met 60%. Door de extreme klimaatomstandigheden neemt die capaciteit nog verder af.”
De voetafdruk is dan ook geen oplossing: het is een instrument om te kunnen werken aan een oplossing. “We kunnen wijzen op consuminderen – minder eten, minder weggooien – en consumanderen – producten gebruiken die verantwoord zijn en minder schadelijk.”

Om mensen bewust te maken en overheden te beïnvloeden zou zij graag verder kijken dan het Bruto Nationaal Product (BNP). “De Nederlandse overheid heeft wel een verantwoord inkoopbeleid: alle grondstoffen moeten zonder kinderarbeid, milieuschade en met zo min mogelijk CO2-uitstoot aangeschaft worden. Maar onze voetafdruk blijft intussen groeien. We zijn nu met 6 miljard mensen op aarde; in 2050 met 9 miljard mensen. Bovendien stijgt het gemiddeld inkomen, dus we gaan allemaal ook nog eens meer consumeren.”

De ideale voetafdruk
Tijd voor een test. Wat is nu de voetafdruk die je nodig hebt om normaal van te leven? Dat hangt onder meer af van de plek waar je woont, zoals de vruchtbaarheid van het land. Volgens de Belgische site Ecolife is 1,8 hectare de ideale maat, dus we moeten allemaal een forse stap terugdoen. De site gebruikt een ‘ruimtevoetafdrukcalculator. Zij stellen weinig vragen, maar berekenen wel dat ik 8,6 hectare nodig heb voor mijn levensstijl. De gemiddelde Belg heeft 7 hectare nodig, de gemiddelde Duitser 5,1 hectare.

Bij de ‘Voetafdruktest van het WNF scoor ik beter: 6 hectare (3,4 aardbollen). Vooral de voeding hakt erin: vlees en zuivel zorgen als snel voor een schoenmaatje meer en buitenlandse producten als chocola, koffie en suiker drukken zwaar op het totaal. Ook de vliegvakantie hakt erin. Een auto heb ik niet, anders zou ik nog veel hoger uitkomen. Het WNF kijkt naar de onderwerpen wonen, voeding, lifestyle, vervoer en vakantie en geeft na de test ook tips voor een kleinere voetafdruk. En je kunt doorklikken naar een site over CO2-uitstoot. Maar de vragen zijn best algemeen: zo wordt er bijvoorbeeld niet eens gevraagd of je wel koffie drinkt of chocola eet en hoeveel dan.

Ook op de site van jongerenorganisatie Nationale Jeugdraad kun je berekenen ‘hoe groot de jouwe is’. Zij kijken naar dezelfde onderwerpen en hebben nog een specifieke vraag over het aantal uren die je dagelijks achter een beeldscherm (tv, computer, smartphone) doorbrengt. Na die test staat mijn teller op 6,4 hectare. Zij vragen echter niet of ik een auto heb of mijn huis heb laten isoleren. Ook hier krijg ik weer tips voor het verkleinen van mijn voetafdruk, want ‘de mijne’ blijkt groter dan het gemiddelde van de deelnemers op deze site.  
Een site die mijn voetafdruk berekent op basis van mijn persoonlijke, daadwerkelijke energieverbruik en consumptie heb ik niet kunnen vinden.

Innovatieve technieken
Intussen wordt er wereldwijd ook nogal wat verspild, onder meer door het ontbreken van goede transport- en opslagmogelijkheden in arme landen. Heeft Folgering nog hoop? “Ja. Ik ben ervan overtuigd dat de wal het schip keert. In 1880 maakten ze zich zorgen over de paardenstront van het toenemend aantal koetsen in de straten. Dat heeft zich ook opgelost. Wij kunnen veel verbeteren. Zo is hét exportproduct van Nederland de innovatieve productieve landbouwtechnieken. Het is wel zorgelijk dat wij genoeg geld hebben om dijken te bouwen, water te zuiveren en eten te kopen, maar dat arme landen die middelen niet hebben.”

Bernadet Timmer

woensdag 8 januari 2014

Een transparante toekomst


‘Dienstverlening 3.0’, hoe ziet dat er uit? Adjiedj Bakas, trendwatcher en auteur van onder meer ‘De Staat van Morgen’ gaf er een lezing over tijdens het KCC-congres in november 2013. Hij deed een aantal voorspellingen. Worden zijn woorden waarheid?

Op Youtube heeft hij ‘De Staat van Morgen’ samengevat in een filmpje. Maar als het over dienstverlening en de relatie tussen overheid en burger gaat, zoals bij zijn lezing, toont hij ‘A day made of glass’. Een transparante toekomst, maar ik blijf me afvragen of die bushokjes wel zo Bokitoproof zijn. Ook zonder in zijn glazen bol te kijken, weet Bakas dat de overheid geen ‘subsidiefabriek’ meer kan zijn. “Servicecentra gaan we steeds meer krijgen. In Zwitserland zijn gemeenten van 200 medewerkers, die met andere gemeenten één servicecentrum hebben. We doen het voor de mensen.” Hij voorspelt drie trends voor de komende jaren:

Trend 1: sfeer en superpersoonlijke service
Banken worden IT-bedrijven die geld rondschuiven. “Bankgebouwen zien eruit als een belevingscentrum: de sfeer is alles en de data zijn gericht op superpersoonlijke service. Wie nu nog gelooft in privacy, is gek. Deze ontwikkeling gaat leiden tot 40% minder banen in de bankwereld. De overheid moet zich daaraan gaan spiegelen.” Dat gebeurt nu al: veel gemeenten gaan samen, stadhuizen – en wie weet, provinciehuizen - verdwijnen.

“Je hele leven staat online. De zwakke schakel is de burger, maar ambtenaren zijn ook burgers. We moeten overal rekening houden met hackers. Mede dankzij de big data. Internetcriminaliteit is de interessantste business van dit moment. Je kunt goede dingen doen met de mogelijkheden, maar er worden ook fouten gemaakt.” We zouden de informatie kunnen gebruiken om sociale behoeften te vervullen: “Een op de vier mensen noemt zich eenzaam en niet gelukkig.” Maar je moet dan wel als organisatie bedenken hoe: “Vragen aan je klanten wat je moet doen? Flauwekul. Klanten weten het ook niet. Bedenk iets slims, en smeer het ze aan.” Hij wijst op het filmpje van Frans Bromet, over mobiel bellen in 1999. Een dergelijke ontwikkeling voorziet hij met 3D-printers. “Volgens het ministerie van Milieu komt straks 80% van de composieten uit plantjes, dat zijn de nieuwe plastics.”

Trend 2: gebruik vervangt bezit
Geld verdienen verandert, businessmodellen van bankierende bedrijven ook. Een voorbode: de zelfsturende auto komt eraan. “Ze rijden 1 op 40 en komen op de markt per 1 januari 2014. Je betaalt voor het gebruik: gebruik vervangt bezit, in elk geval voor een deel van de mensen. Moet de parkeergarage dan nog midden in de stad staan als de auto zichzelf parkeert?”
Het betekent ook minder accijnzen, want minder benzinegebruik. En Smart energy grids, die gebruik maken van de dalen in energiegebruik en de pieken in energieopwekking door betere isolatie en automatische huishoudelijke apparaten die energie gebruiken in de daluren, opgewekt met zon, wind en biobrandstoffen.
Een nieuw experiment is een drone met vliegers in de lucht, die op 12 km hoogte constante wind- en/of zonne-energie levert. “Je moet als overheid je oren en ogen openhouden en die ideeën doorgeven. Bijvoorbeeld: met een drone medicijnen aan huis bezorgen, maar ook paspoorten en rijbewijzen.”

Trend 3: herverdeling van arbeid
Een grote herverdeling van arbeid op de arbeidsmarkt: een vervaging tussen betaald en vrijwillig werk. Burgers gaan meer zelf doen. “Shift happens. Nederland behoort tot een van de best bestuurde landen dankzij een goed ambtenarenapparaat. Maar burgers zijn onrustig. Met name in de middenklasse gaan de grote klappen vallen en de grote veranderingen plaatsvinden. Wat is duurzaam voor morgen, wat moet er veranderen voor de toekomst? Als je aarzelt, groeit je angst; als je waagt, groeit je moed. De toekomst is voor mensen met lef. En het meervoud van lef is leven.”

Bernadet Timmer
Communicatie